• NederlandsNederlands
  • FrançaisFrançais
Hoofdmenu
  • Home
  • Welkom
  • Wie zijn we?
  • Ontstaan
  • Handvest
  • Organisatie
  • Visie
  • Actualiteit en Standpunten
  • Thematische beschouwingen
  • Kerkelijk nieuws
  • Persmededelingen
  • Catechese
  • Katholiek onderwijs
  • Hagiografie
  • Liturgie
  • Externe mededelingen
  • Getuigenissen en Lezersbrieven
  • Varia
  • Petitielijsten
  • Links
  • Inschrijvingsformulier
  • Contact
Login Form



  • Wachtwoord vergeten?
  • Gebruikersnaam vergeten?
  • Registreer
Home

Rooms – Katholiek lekenforum

Het maakbare beest

Een hond kan men trainen, zodat hij allerlei kunstjes of opdrachten kan uitvoeren, zoals blindenbegeleiding, het opsporen van drugs of mensen die na een aardbeving bedolven worden onder het puin. Sommigen worden gebruikt als trekdier, andere voor loopkoersen en nog andere voor de jacht, of om kudden bijeen te houden. Om met die training succes te hebben zijn er enkele voorwaarden: men moet er liefst zo jong mogelijk mee beginnen, men moet rekening houden met de specifieke eigenschappen van het dier en men moet weten waar zijn grenzen liggen. Het trainen van honden of andere dieren is een mooi beroep of bezigheid, waaruit we enige lessen kunnen trekken die ook soms op mensen toepasbaar zijn. Bij mensen is het immers zo dat training niet iets secundairs of artificieels is, maar iets wezenlijks voor ons  mens-zijn. De voornaamste training is deze van de opvoeding. Ook die begint liefst zo jong mogelijk. De vergelijking met de dressuur van een dier gaat echter slechts gedeeltelijk op. De mens is het levend wezen dat zich het minst heeft “gespecialiseerd”, zowel op lichamelijk vlak als op het vlak van aangeboren gedragingen. Wij hebben bvb. geen klauwen of schubben om ons te beschermen tegen agressors of een pels om ons warm te houden. We worden wel geboren met sommige karaktertrekken die we via onze ouders meekregen, maar die kunnen meestal opvoedkundig in goede banen geleid worden.

De doorslaggevende specialisatie van de mens is zijn intelligentie. Alle leven is daarmee begiftigd, zodat we kunnen stellen dat leven “materie is waarin een bepaalde doelgerichte intelligentie tot uiting komt”.  Maar de mens beschikt over een intelligentie die zich bewust wordt van zichzelf, die zich situeert en realiseert in een wereld van abstracte begrippen, waar hij de referentiepunten zoekt en vindt van zijn gedragingen. Het instinctieve is bij de mens gereduceerd tot de basisbehoeften voor de instandhouding van het leven en zelfs die behoeften kan hij tot op zekere hoogte aan banden leggen door zijn wil en door zichzelf te trainen. Samenvattend is de mens, zoals als hij zich op een bepaald ogenblik voordoet, het resultaat van aangeboren gaven, opvoeding, zelftraining en zijn levensopvattingen. Maar dit alles zal nooit zodanig bepalend zijn dat men met zekerheid kan voorspellen welke beslissingen hij of zij zal nemen. Daar voegt zich dan de vrije wil bij, een van de eigenschappen die hem het meest van de andere schepselen onderscheidt. De mens is nooit iets vaststaands, iets dat “af” is. Tot aan zijn laatste ademsnik kan hij veranderen, zelfs als dat minder waarschijnlijk wordt in de loop van de jaren. In religieuze termen spreken we dan van “bekering”, of eventueel van “afvalligheid” of “zonde”.

De mens is een continu gebeuren, een verhaal dat slechts eindigt bij zijn dood. De rode draad in dat verhaal is de strijd tussen goed en kwaad, die zich afspeelt zowel in zijn binnenste als in zijn omgeving. Hij  kan en moet immers gedurig kiezen. Veel van zijn beslissingen situeren zich op het materiële vlak en daarin toont hij zich gemiddeld zeer bedreven, met als gevolg dat de mensheid erin slaagde om een heel deel van de  problemen verbonden aan het biologisch bestaan min of meer onder controle te krijgen. Maar de mens wordt daarenboven permanent geconfronteerd met keuzes van geestelijke of morele aard. Hij leeft immers niet alleen, maar maakt deel uit van een menselijke gemeenschap. In de relaties met zijn medemensen kan hij kiezen voor zichzelf of voor het welzijn van anderen. Hij beseft dan dat er zo iets is als zedelijk “goed” en “kwaad” en dat hij met zijn vrije wil (soms zeer pijnlijke) keuzes moet maken.

Een van de keuzes die hij kan maken is het negeren van het verschil zelf tussen “goed” en “kwaad”, of het mentaal omwisselen van die begrippen. Hij kan stellen dat dit geen “wetenschappelijk  te bewijzen categorieën” zijn en deze begrippen afhankelijk maken van wat hem  het beste lijkt (voor zichzelf) in een bepaalde situatie. Hij kan zelfs zover gaan om van die omwisselbaarheid een afdwingbaar “mensenrecht” te maken, of een privilege dat voor een bepaalde groep mensen is weggelegd:  politieke leiders, verstandelijk hoogbegaafden, rijken, zij die behoren tot een bepaald ras,  of cultuur of godsdienst... De ganse geschiedenis van de mensheid is getekend door de gevolgen van zulke keuzes, tot op de dag van vandaag. Wie hierover nuchter nadenkt moet tot de conclusie komen dat het gevaar voor verkeerde keuzes nooit zal wijken, zolang er mensen zullen bestaan. Mensen kunnen oplossingen vinden voor alles en nog wat, maar het kwade kan niet vermeden worden. Het kan enkel  bestreden worden door er zoveel mogelijk van het goede tegenover te plaatsen. De “maakbare wereld” zal nooit ideaal zijn en evenmin de “maakbare mens” (alle liedjes, schrijfsels of kanselredes hierover ten spijt).

De mens van goede wil of inborst heeft daarom de prioritaire opdracht om zijn capaciteit om goed en kwaad te onderscheiden maximaal te ontwikkelen. De mogelijkheid hiertoe bezitten alle mensen van nature, maar, zoals gezegd, zij moeten allemaal eerst opgevoed worden. In de eerste levensfase duiken ook de eerste problemen op: het opvoedingsproces zelf wordt namelijk in grote mate bepaald door de keuzes die de opvoeders maken. Een dier kan men niet “opvoeden”. Men kan het tot op zekere hoogte enkele elementaire mensachtige handigheden aanleren, maar men kan er geen mens van maken. Het dier op zichzelf kan dat uiteraard niet en vertoont ook geen enkele natuurlijke ambitie in die richting, afgezien van het feit dat bvb. apen of papegaaien sommige menselijke gedragingen spontaan nabootsen. Dieren kunnen de grenzen die worden bepaald door hun specialisaties en de beperkte mogelijkheden van hun lichamen en hersens niet overschrijden. Bij de mens ligt dat gans anders: hij kan op heel veel uiteenlopende wijzen gevormd worden of zichzelf gestalte geven. Daardoor kan hij zowel evolueren in de richting van de geestelijke volmaaktheid die we heiligheid noemen, als in de richting van een toenemende verdierlijking. Sommigen bereiken in die laatste richting zelfs een stadium dat gelijkenissen vertoont met dat van een solitair wild roofdier en dan spreken we meestal van een “beest”.

We zouden dus kunnen stellen dat goed is al wat ons naar een grotere heiligheid leidt en kwaad al wat ons dierlijker maakt. Maar dat helpt ons niet veel verder, want de waardeoordelen en begrippen die we hierbij hanteren zijn grotendeels afhankelijk van culturele achtergronden. Bepaalde culturen hebben bvb. het kannibalisme aangenomen als iets “goeds”, de seculiere moderniteit doet hetzelfde met het recht op het doden van ongeborenen (als onderdeel van programma’s ten bate van de “reproductieve gezondheid” !). Sommige ideologieën gingen zo ver om de veredeling van het eigen ras als hoogste ideaal te verkondigen, ten koste van al wie als “inferieur” werd beschouwd. Andere “vooruitstrevende” stromingen verkondigen dat er geen essentiële verschillen zijn tussen mens en dier en de koplopers hiervan beweren zelfs dat de mens een schadelijk dier is dat best opgeruimd zou worden. Het Bijbelse verhaal over de toren van Babel spreekt over een taalverwarring. Maar de ergste verwarring die de huidige mensheid teistert is al lang niet meer taalkundig van aard, maar ideologisch.

Essentieel in opvoedkundige keuzes is dus de ideologie, waarvan de mensvisie die men aankleeft de kern is. Als de mens beschouwd wordt als een maakbare diersoort dan zal dat zich uiten in de opvoeding, met alle gevolgen van dien. Een godsdienstig gelovige ziet de mens niet als een individu van een willekeurige zijtak op een artificiële stamboom van de levenssoorten, maar als een persoon.  Dat wil zeggen een wezen belast met verantwoordelijkheden ten aanzien van de schepping in het algemeen, evenals van de mensheid waarvan hij/zij deel uitmaakt en bovenal ten aanzien van zijn Schepper, God, Allah, de Grote Manitou, de oervader of –moeder, of welke naam hij aan het Opperwezen ook wil geven. Hij is het enige wezen dat in staat is zich bewust te worden van het bestaan van God en dat bewustzijn ontpopt zich gaandeweg tot de belangrijkste factor in de beleving van zijn mens zijn.

De mens zonder God daarentegen is eenzaam (eventueel onmerkbaar of zelfs onbewust), zielloos verloren in een zinloos universum, zonder vaststaande referentiepunten om zijn gedrag te bepalen. Hij bevindt zich in geestelijke zin op hetzelfde niveau als een dier, dat zich niet bewust kan worden van het bestaan van een Schepper en dat bijgevolg geen enkele verantwoordelijkheid heeft. Wat goed en kwaad is bepaalt hij zelf, zo nodig door het uitwerken of aanhangen van de ideologie die het best in zijn kraam te pas komt. Hij bevindt zich eigenlijk in de “premenselijke” toestand die in het Bijbelse Genesisverhaal als volgt wordt geïllustreerd. Adam benoemde de dieren, maar vond geen enkel dier dat bij hem paste en voelde zich dus alleen. God zag dat dit niet “goed” was. Hij had de schepping in beweging gebracht en haar “goed” gekeurd: zij evolueerde en draaide zoals Hij het had voorzien. De schepping op zich kon geen kwaad verrichten, tot op het ogenblik dat Hij in die schepping de mens liet ontstaan: een  wezen dat in staat was zich bewust te zijn van zichzelf. Maar dat bewustzijn kon zich slechts ontplooien in relatie met andere bewuste wezens en bovenal in de relatie met Degene die de oorsprong is van alle intelligentie en bewustzijn. Voordat deze mogelijkheden zich aanboden had Adam geen klaar levensdoel, geen verantwoordelijkheid en enkel de vaststelling dat hij niet tot de dierenwereld behoorde, alhoewel hij die gaandeweg van namen en classificaties voorzag.

In de beleving van een relatie groeien zowel de kennis van de andere als het inzicht in de eigen identiteit. Die zelfkennis is op zijn beurt van doorslaggevend belang in de verdere ontwikkeling van het samenleven. Ontwakend uit een diepe slaap ontdekte Adam zijn vrouw Eva. Dan pas werd hij zich goed bewust van zichzelf, als man, echtgenoot en toekomstige vader. Bij Eva deed zich een zelfde proces voor van zelfontdekking als vrouw en potentiële moeder. Zij leerden zichzelf kennen in hun onderlinge relatie, geslachtelijkheid en verschilpunten, met hun specifieke eigenschappen, mogelijkheden, beperktheden en verantwoordelijkheden. Dat zelfbewustzijn bereikte zijn hoogtepunt in de vertrouwelijke band die beiden hadden met hun Schepper, die zich aan hen kenbaar maakte als een Vader die hen bemint en juist daarom eisen stelt. Die liefde vanwege God was het sluitstuk van hun onderlinge verbondenheid en wederzijds respect. Zij waren onze eerste stamouders, het prototype van de ideale mensheid, de eerste “heilige familie”, de grondleggers van het religieus besef dat in de loop der millennia op uiterst wisselvallige wijze werd doorgegeven tot het ook ons bereikte. Maar zij betaalden de prijs voor de uitoefening van hun vrije wil, waarmee zij de relatie met God verstoorden. Zij werden aldus ook de eerste zondaars.

De elementen waarmee hedendaagse opvoeders in onze plaatselijke multiculturele wereld aan de slag gaan, zijn van zeer bedenkelijk allooi. Onze landen aan de Noordzee waren eens een lichtbaken in de menselijke geschiedenis. Zij zonden hun zonen en dochters wereldwijd uit om de mensen op te voeden in de leer van Christus, de nieuwe Adam, door God geschonken aan een verloren gelopen mensheid om haar te tonen hoe zij moest leven en hoe groot zijn liefde was. Pater Damiaan was een van de schitterendste voorbeelden van dat christelijke idealisme. Maar de Kerk die aan de basis lag van dit wereldwijd opvoedkundig gebeuren werd geïnfiltreerd door “vernieuwende” inzichten. Toen werd beweerd dat men zeker “geen zieltjes mocht winnen” stuitte deze bewering op weinig noemenswaardige weerstand. Het was vooral zaak om “open” en “bij de tijd” te zijn. De vrees om als intolerant of achterlijk te worden beschouwd paralyseerde de hele leidinggevende klasse van onze plaatselijke Kerk, die zich overgaf aan een “wollig” taalgebruik waarmee zij alle controverse trachtte te vermijden en waarmee zij hoe langer hoe minder mensen overtuigde. In plaats van godsdienstonderricht te geven werden onze jongeren opgezadeld met “godsdienstvergelijkende” klassen. Zelfs het kruisbeeld werd in een aantal “christelijke” scholen verwijderd om zeker geen “aanstoot” te geven aan andersdenkenden, vergetend dat “aanstoot geven” onlosmakelijk behoort bij het kruis dat Christus voor ons geleden heeft. Een land dat aan de spits stond van de geloofsverkondiging is zodoende op een halve eeuw geïmplodeerd tot ‘s werelds  “zwarte gat” op dat gebied.

Intussen bleven de vijanden van het christelijk geloof natuurlijk niet bij de pakken zitten. Zij geloven niet in zieltjes en kunnen die dus ook niet “winnen”. Wat zij wel deden was de ziel van ons volk grondig verprutsen, met de schuldige medewerking of het gebrek aan tegenstand van menig prelaat. De opmars van die Godvijandige krachten gaat onvermoeid verder en wordt continu gevoed door nieuwe creatieve theorieën. Een van de laatste in die rij is de “gendertheorie”, die het bestaan van een vaststaande seksualiteit negeert. Men is geen man of vrouw omdat dit van nature zo is, maar omdat de maatschappij of wij zelf, of eender wie of wat, dat zo gekozen heeft. Deze ideologie, die zich aan ons opvoedkundig systeem tracht op te dringen, legt een tijdbom onder ons maatschappelijk systeem, ons gezinsbeleid en ons identiteitsbesef. Zij ondergraaft de voornaamste bestaansreden van de seksualiteit (een gezonde voortplanting) en de belangrijkste consequentie ervan (onze persoonlijke verantwoordelijkheid op basis van onze seksuele identiteit).

Daarnaast krijgen we in toenemende mate  allerlei opvoedkundige “tips” voorgeschoteld en dat niet alleen in tijdschriftjes van tweede of derde categorie. Via onze Vlaamse zenders werden we recent nog uitgebreid geïnformeerd over de activiteiten van de overheidsgesubsidieerde vereniging “Steunpunt Jeugd”. Het gaat blijkbaar over een zustervereniging van “Sensoa”, dat op een of andere wijze een soort alleenrecht heeft verworven over de seksuele voorlichting van de Vlaamse schoolgaande jongeren. Zij stelde een brochure samen om de leiders van jeugdverenigingen de juiste houding aan te leren wanneer zij geconfronteerd worden met seksueel getinte toestanden. Groepsmasturbatie in een tent bvb wordt door die vereniging als “normaal” bestempeld en optreden hiertegen afgeraden. Totnogtoe hebben we nog praktisch geen enkele tegenreactie gehoord of gezien, noch van kerkelijke, noch van seculiere kant. Stuur dus gerust uw kindjes naar de multiculturele ex-christelijke Chiro of de ex-katholieke scouts; ze zijn er in deskundige handen en leren er meer dan u voor mogelijk houdt. Ook over de opvoeding in uw “katholieke” school moet u zich geen zorgen maken. Daar krijgen uw kinderen (via Sensoa) een van overheidswege gegarandeerd didactisch hoogstaande seksuele opvoeding, strikt voorbehouden aan de leerlingen zelf. Zelfs de eigen leraren godsdienst mogen hierbij niet aanwezig zijn ...

Waar blijft het gezagvolle woord van onze kerkleiders? Waartoe werden ze aangesteld en worden ze betaald? Om de leegloop van onze kerken zonder al  te veel psychologische nevenverschijnselen in goede banen te leiden? Om bekommerde katholieken met zalvende woorden in slaap te sussen? Bevangen door mediavrees? Lijdend aan een struisvogelsyndroom? “Gaat en onderwijst” zei Christus, niet “Kijkt toe en zwijgt”. De aangewezen weg om jonge mensen morele en godsdienstige inzichten bij te brengen bestaat in de eerste plaats uit het zonder complexen aanleren en voorleven van de authentieke Evangelische boodschap, in al haar rijkdom en consequenties. Nadien kan men hen bevragen over wat zij ervan vinden en wat zij hebben opgestoken. Nu worden zij vooral naar hun mening gevraagd, terwijl  hen enkel wat algemeenheden worden bijgebracht. Wat blijft er over van het katholiek godsdienstonderricht, door onze bisschoppen in de praktijk geheel in handen gelegd van leken (gedirigeerd vanuit de ex-katholieke KUL en UCL)? Zelfs jongeren die zich (ook nu nog) op de een of andere miraculeuze wijze tot het katholicisme bekeren vinden hun gading niet meer in zogenaamde katholieke milieus. Als wij het onderricht in de christelijke geloofsleer verder teloor laten gaan,  dan zijn wij medeverantwoordelijk voor wat anderen van onze nakomelingen gemaakt zullen hebben: vrijdenkers, aanhangers van sekten of niet-christelijke godsdiensten, seksueel verslaafden, ... Of misschien gerobotiseerde denkmachines of oncontroleerbare beesten?

I.V.H.

 

Bent u gewenst?

“Zijn wij hier nog gewenst?”: dat is de hamvraag voor veel christenen en andere minderheden van het Nabije Oosten en elders, die hun geboortegrond en het land van hun voorvaderen moeten ontvluchten, na westerse interventies of een of andere “bevrijdingsoorlog”. Heel wat Syrische christenen vrezen dat dit ook hun lot zal worden. Als het van sommige verlichte westerse geesten afhangt, dan mogen ze er op rekenen dat dit doemscenario zich zal voltrekken. O.a. Guy Verhofstadt, een van onze nationale kampioenen van de politieke vrijzinnigheid, stelde onlangs de bewapening voor van de Syrische oppositie (die na een jaar strijd, met vele doden aan beide kanten,  nog zelfs geen plan kan of durft voor te leggen over het Syrië dat zij voor ogen hebben).

“U  bent niet gewenst”: dat was de houding van de Nazi’s tegenover Joden en andere etnische minderheden. Die pasten niet in hun ideologie en hun plannen voor de toekomst van  “Das Drittes Reich”. De stichters van dat kortstondig imperium rekenden niet op buitenlandse politiekers voor hun wapens, maar  zorgden er zelf voor. Zij hebben de aarde vier jaar doen beven en miljoenen mensen vernietigd alsof het afgedankte gebruiksvoorwerpen waren

“Baas in eigen buik”: zo schreeuwden de Dolle Mina’s van de jaren zestig. Met andere woorden: ”geen ongewenste ongeborene in mijn buik”. De remedie voor hun dolle noden was heel simpel: “weg ermee”. In het openluchtmuseum van Bokrijk maken zij nu deel uit van een nostalgische reconstructie over die periode, hetgeen onrechtstreeks een ode betekent aan hun dolgedraaid “gedachtegoed”. Daar kunnen de gewenste kindjes uit onze kroostarme gezinnen nu didactisch iets  leren over de seksuele revolutie, die ervoor zorgde dat zij weinig of geen broertjes of zusjes hebben.

Een van de argumenten bij de totstandkoming  van de huidige abortuswetgeving van ons land was dat de nieuwe wet  het aantal abortussen niet zou doen toenemen, maar enkel voor medische begeleiding zou zorgen bij deze ingrepen. Het tegenargument dat wetten ook een invloed hebben op de ideologie en de moraliteit van mensen, werd niet aanvaard. Voor alle zekerheid (of als doekje voor het bloeden bij het imagoverlies van de toenmalige CVP) richtte men een evaluatiecommissie op die de evolutie van de abortuscijfers zou noteren en hieruit de nodig geachte conclusies zou trekken. Het werd uiteraard een maat voor niets, vermits deze commissie gevormd wordt door mensen met zeer uiteenlopende morele opvattingen.

Feit is dat het aantal bekende abortussen sinds de totstandkoming van de Belgische wet in 1990 bijna verdubbeld is. Er is geen reden om aan te nemen dat die stijgende tendens in de nabije toekomst zal verminderen. Men mag eerder het tegendeel verwachten, want in vergelijking met andere Europese landen zijn de abortuscijfers van België  en Nederland bij de laagste:  “slechts” iets meer dan 1 zwangere vrouw op tien ondergaat per jaar een abortus. De totalen zijn van dezelfde orde van grootte als die van de instromende migranten. Als we de balans opmaken plegen  wij op de keper beschouwd dus een genocide (in de meest letterlijke betekenis van het woord) op onze eigen nakomelingen, plaats makend voor vreemdelingen. 

Er is geen twijfel aan dat opvoeding , persoonlijke mentaliteit en vooral ook omgevingsdruk een belangrijke rol spelen bij de keuze om al of niet tot abortus over te gaan. Wetten maken deel uit van dat proces, want zij introduceren normen en bepalen dus mee wat we al of niet als “normaal” gaan beschouwen. Wetten bepalen natuurlijk niet volledig onze gedragingen, maar ze spelen er een grote rol in. Zij hebben ook de neiging om “een eigen leven te gaan leiden”. Dat wil zeggen dat zij de ideologie waarop zij gebaseerd zijn kunnen versterken, waardoor die op haar beurt weer de wetgeving  in een bepaalde richting verder stuwt. De meeste abortuswetten zijn fors geïnspireerd door feministische en maçonnieke denkwijzen, een goed samenwerkend en elkaar bevruchtend tweespan. In de westerse landen werden  heel wat politieke partijen diepgaand erdoor beïnvloed (of rechtstreeks geïnfiltreerd door aanhangers ervan). Deze ontwikkeling creëerde in die landen een scherpe tweespalt tussen voor- en tegenstanders van abortus.

Ook tussen de naties onderling bestaan er op het gebied van de bescherming van de ongeborenen grote verschillen, die meestal cultureel bepaald zijn. De moslimwereld neemt hierin een ambigue houding aan. In principe is de islam tegen abortus, maar anderzijds hebben de meeste islamitische strekkingen een artificiële grens bepaald vanaf wanneer de foetus als “bezielde mens” wordt beschouwd. Veel  abortussen worden er geheim gehouden om de eer van de betrokken vrouw te beschermen. Het is dus moeilijk om een duidelijk beeld te krijgen over de abortuspraktijk in moslimlanden. In tegenstelling tot wat men zou verwachten, blijken moslims en christenen niet in staat om samen één front te vormen tegen het doden van mensenkinderen in de moederschoot.  De orthodoxe Joodse leer beschermt in principe het ongeboren leven vanaf de conceptie. Maar de orthodoxe joden vormen slechts een minderheid  en heel wat joodse rabbi’s verkondigen een afwijkende mening. Israël kent een heel hoog percentage aan abortussen. Zwangerschapsafbreking wordt er door velen beschouwd als een aanvaard middel tot geboortebeperking. In het verre oosten  ontmoeten we dan weer sekten die in reïncarnatie geloven en zelfs enkele stappen te ver gaan in de andere richting. Vermits dieren volgens hen reïncarnaties van mensen kunnen zijn, wordt ook hun leven volledig beschermd, tot in het absurde toe. In Latijns Amerika heerst in verschillende landen een streng verbod op abortus, evenals in enkele Europese landen.

Voor christenen, die naam waardig, is elk nieuw mensenleven gewenst, want gewenst door God als zijn kind. “Bemin uw naaste zoals uzelf” en “Gij zult niet doden” zijn twee grondregels voor elke christen. Die bepalen ook volwaardig hun houding tegenover ongeborenen die afwijkingen vertonen, zelfs als die volgens “specialisten” niet zullen kunnen genieten van voldoende “levenskwaliteit” . Er is zelden een meer subjectief woord uitgevonden, waarmee men niet-subjectieve aanslagen op het leven van anderen wil rechtvaardigen. Het is zeker niet in de eerste plaats de levenskwaliteit van al of niet gehandicapte nieuwkomers die “pro choice” militanten zorgen baart, maar vooral het levenscomfort van zij die geen zin hebben om zich over hen te ontfermen, zelfs als het hun eigen kinderen zijn. Geen enkele medicus kan met zekerheid bepalen hoe groot de levenswil of de levensvreugde van een gehandicapte is, laat staan van een gehandicapte die nog niet ter wereld is gekomen. Dat zijn nochtans doorslaggevende factoren, die voor een groot deel (of zelfs voornamelijk) afhangen van het feit of hij/zij al of niet aanvaard en bemind wordt, onafhankelijk van zijn/haar lichamelijke toestand of levensverwachting. De liefde voor een kind kan ontstaan vanaf het eerste teken van leven in een vrouwenschoot, zoals ontelbare moeders reeds hebben ondervonden. Heel velen hebben niet geaarzeld om hun kindje te aanvaarden en met tedere zorgen te omringen, ondanks het feit dat het lichamelijke of geestelijke gebreken vertoonde.

Zoals we hiervoor reeds aangaven, beseffen we ook wel dat wetsveranderingen alleen niet de definitieve oplossing zullen meebrengen van het abortusvraagstuk. In de jaarlijkse Mars voor het Leven te Brussel betogen we dus vooral met het oog op  een mentaliteitsverandering ten aanzien van het respect voor het leven in de moederschoot. De rol van de staat hierin moet niet in de eerste plaats ontradend zijn, maar vooral ondersteunend. Met dit laatste bedoelen wij natuurlijk niet de huidige feitelijke ondersteuning van de abortuspraktijk, die stilaan het karakter heeft aangenomen van een stimulering ervan. De staat moet investeren in middelen zoals adoptiemogelijkheden en vormen van bijstand, die vrouwen een alternatief bieden voor abortus. Bij onze Nederlandse noorderburen lijken eindelijk de eerste tekenen te bespeuren die wijzen op een beleidsverandering in die richting.

Daarenboven moet men afstappen van de terugbetaling van abortus, die enkel geschraagd wordt door linkse kronkelredeneringen over discriminatie van minder gegoede vrouwen, die geen abortusingreep kunnen betalen. Van “discriminatie” kan enkel sprake zijn als abortus als een algemeen aanvaard “recht” wordt beschouwd. Tot nu toe is het enkel  een “wettelijk niet bestrafte mogelijkheid”  voor “vrouwen in noodgevallen”, die nochtans vanuit een gezond gevormd geweten onaanvaardbaar blijft. De terugbetaling van de duizenden Belgische abortussen per jaar kost de staat niet alleen steeds meer geld, maar zij bevordert tevens de toename van het aantal vrouwen met lichamelijke klachten of depressies tengevolge van het post abortussyndroom. De medische zorgverstrekking die hiermee gepaard gaat wordt voor het grootste deel betaald door de verplicht verzekerden zoals u en ik, inbegrepen zij die bedenkingen of gewetensbezwaren hebben ten aanzien van “medische ingrepen” op volledig gezonde vrouwen.

Als christenen in een pluralistische democratie moeten wij onder ogen zien dat wij onze hoogstaande normen niet kunnen opdringen. Ons streefdoel moet dus zijn om zoveel mogelijk anderen te overtuigen dat er betere oplossingen bestaan voor maatschappelijke, relationele of andere moeilijkheden dan de eliminatie van “ongewensten”. We leven immers niet meer in een prehistorisch stammenverband, waar de wet van de sterkste geldt en al wie te zwak of te lastig is uit de weg wordt geruimd. Voor praktisch alle medische en sociale probleemsituaties bestaan er in onze moderne welvaarstaten goede oplossingen. De mogelijkheden om schier alle abortussen  om niet-medische redenen te vermijden zijn er. Maar om die te gebruiken moet ook de wil hiertoe bestaan, samen met een grote liefde voor de kleinsten en meest weerlozen onder ons.

“Ziet hoe zij elkaar liefhebben” zei  men van de eerste christenen. Samenhorigheid, dienstbetoon, zorg, meeleven, respect: het zijn allemaal facetten van wat wij liefde noemen.  Liefde is niet alleen het product van een spontane opwelling. Ook onze kijk op het leven kan liefde stimuleren of verminderen. Als wij het leven beschouwen als het resultaat van louter toevallige scheikundige processen, dan speelt dit ongetwijfeld mee in de houding die we aannemen tegenover alle levensvormen en ook  tegenover de mens, de hoogst ontwikkelde levensvorm en deze waartoe we zelf behoren. Het is dus volledig normaal te noemen dat de vraag naar vrije abortus hoofdzakelijk ontstond in materialistische en vrijzinnige groeperingen. Die vraag staat volledig haaks op het aanvoelen en de diepste overtuiging van authentieke christenen.

Uiteraard kunnen ook mensen met andere overtuigingen, zelfs verstokte vrijzinnigen, zich uitspreken tegen abortus. Maar hun stellingneming wordt dan eerder geïnspireerd door een diep natuurlijk aanvoelen, dan door formele ideologische overwegingen. Het is zonder meer duidelijk dat de scheidingslijn tussen voor- en tegenstanders van abortus grotendeels parallel loopt met de scheidingslijn tussen gelovigen (overwegend christenen) en ongelovigen. Het heeft geen zin om dat te negeren. Wat natuurlijk niet wegneemt dat ook vrijzinnigen welkom zijn als zij willen deelnemen aan de strijd voor het levensrecht van alle ongeborenen.

Spijtig genoeg zijn anderzijds aan het rationalisme verwante denkvormen ook in veel christelijke milieus binnengedrongen. Alhoewel de katholieke kerk zich regelmatig duidelijk heeft uitgesproken tegen abortus provocatus en zelfs zover ging om al wie eraan meewerkt automatisch in de ban te slaan, horen we regelmatig  bekende “katholieken” gelegaliseerde  abortus openlijk goedpraten, of zelfs als een positieve verworvenheid van de moderne vrouw voorstellen. Aangezien het respect voor het mensenleven inherent verbonden is met het christen zijn (zoals wij in andere artikels van onze website in extenso hebben uiteengezet), kunnen we niet anders dan bevestigen dat mensen met zulke overtuigingen in werkelijkheid geen christenen kunnen zijn, laat staan katholieken.

 “Was u gewenst?”. Waarschijnlijk wel, anders was de kans groot dat u er niet zou zijn om deze regels te lezen. Toch zijn er heel wat van onze gewenste medemensen die het volkomen normaal vinden dat sommige nieuwkomers niet gewenst zijn. Om welke reden dan wel? Hebben we te weinig voorzieningen om hen op te vangen?  Leven we in een maatschappij waarin kinderen wreed worden behandeld of waar alleenstaande moeders geen bijstand kunnen krijgen?  Als dat zo zou zijn, dan kunnen wij ons afvragen waarom er zulke massale toestroom naar onze landen is en waarom wij zelf geen liefdevoller oorden opzoeken, ver van de wrede, individualistische en egocentrische maatschappij waarin we als toevallig gewenste het geluk hadden aan de abortusdood te ontsnappen.

 I.V.H.

 

De Heer van de Geschiedenis

Wie er even tijd voor over heeft zou eens op Google de volgende titel kunnen opzoeken: “Pius XII en de vernietiging van de Joden”. Gedurende bijna 30 google-pagina’s wordt men er geconfronteerd met steeds weer hetzelfde, gelijknamige werk van Dirk Verhofstadt, broer van onze bekende ex- premier, liberaal en antiklerikaal in hart en nieren. Hij pronkt met de titel van “dokter in de moraalwetenschappen”, titel die hij trouwens aan datzelfde werk te danken heeft. Hij is professor in “Media en ethiek” van de RUG en het is waarschijnlijk niet nodig nog te vermelden dat hij een “goede samenwerking” heeft met prof. emeritus Etienne Vermeersch. Zijn boek beslaat 552 pagina’s en is uitgegeven door Houtekiet in 2008.

Gelukkig vindt men tussen de herhaalde aanhalingen van artikels waarin de lofzang van dit zogenaamd “historisch werk” wordt bezongen, ook enkele kritische evaluaties, o.a. van Alfred Denoyelle, doctor in de geschiedenis. Hij toont aan hoe eenzijdig Dirk Verhofstadt historische documenten manipuleert in dienst van zijn antikerkelijke obsessie. Het feit dat deze auteur een doctoraat haalde op basis van een weinig originele compilatie, waarin de grondregels voor objectiviteit en historische authenticiteit herhaaldelijk met de voeten worden getreden, zegt veel over het wetenschappelijk niveau waarop “historisch onderzoek”  ten dienste wordt gesteld van bepaalde ideologieën aan sommige van onze universiteiten. De titel van zijn boek verraadt op zich al de bedoeling ervan: het creëren van een associatie tussen een kerkleider (en diens kerk) en de Holocaust. Het is het soort titel dat thuishoort in revolutionaire pamfletten of als krantenkop in de sensatiepers.

Wil men echt de grondoorzaken van de Holocaust begrijpen, zou het logischer zijn om de werken en uitlatingen te bestuderen van hen die deze genocide hebben gepland en uitgevoerd.  Daaruit blijkt duidelijk dat zij de Kerk als een van de voornaamste obstakels beschouwden voor de realisatie van hun plannen. Maar zulke logische en eerlijke aanpak past helemaal niet in de vooropgestelde bedoeling van  het “oeuvre” van liberale schrijvers van het slag van deze Verhofstadt. Het is veel interessanter om Vaticaanse en kerkelijke documenten een antisemitische betekenis toe te dichten, en die te mengen met hetgeen nog gemakkelijker in iemands kraam kan passen, namelijk wat NIET gezegd of geschreven is. Men noemt zo iets een argumentatie “a silentio” en dat wordt in de geschiedkunde terecht niet aanvaard. Volgens die ”methode” kan iemand met enige fantasie gemakkelijk bewijzen dat Albrecht Einstein een antivegetariër was, vermits hij nooit pleitte voor minder vleesgebruik, of dat Julius Caesar met zijn “De Bello Gallico” de eerste pas zette naar de verovering van de ruimte, vermits hij nergens aangaf waar veroveringen moesten stoppen ...

De paus heeft gezwegen, wanneer hij volgens dit soort “geschiedschrijvers” MOEST gesproken hebben. Hij beantwoordde volgens hen niet aan de moraalwetenschappelijke normen die vastgelegd werden door de liberale denkers van de RUG, VUB en aanverwanten. Dat het in sommige gevallen iemands plicht kan zijn te zwijgen om erger te voorkomen is een wijsheid die zij negeren of waar zij nog niet aan toe zijn. Zij gebruiken op de keper beschouwd een kinderachtige wijze van redeneren, maar een die wel “professioneel” wordt ondersteund en ten dienste gesteld van een maximale beschadiging aan  het imago van de Katholieke Kerk. Dit gebeurt met de enthousiaste medewerking van een breed gamma van de pseudo-intellectuele media, waarmee we in Belgenland rijkelijk werden begiftigd, of beter, vergiftigd.

Er bestaan twee soorten geschiedenis: die van de reëel gebeurde feiten en die van de vertelde, verdraaide en uitgevonden feiten. Wij wanen ons niet bevoegd om hier de historische balans op te maken van het leven en het pausdom van Pius XII. In de kerkgeschiedenis hebben zowel moreel hoogstaande figuren als ongure personages de rol van paus vervuld. Over deze van Pius XII  zijn de meningen verdeeld, maar het is duidelijk dat zijn tegenstanders zich overwegend in atheïstische of modernistische kringen bevinden die niet bepaald “neutraal” staan tegenover het kerkelijk instituut. Daarom is het belangrijk dat we ons een gefundeerd oordeel vormen over de mate waarin schrijvers als Dirk Verhofstadt de vereiste objectiviteit in acht nemen bij hun beoordeling van deze oorlogspaus, die enorme verantwoordelijkheden te dragen had in een toestand waarin hij zo goed als gegijzeld was.

De lectuur van de encycliek “Mit brennender Sorge”, die nog voor de wereldoorlog  door Eugenio Pacelli, de latere Pius XII, ten behoeve van zijn voorganger werd opgesteld, ontkracht op zich al grotendeels de antipaapse en antikerkelijke beschuldigingen, waarin deze paus de hoofdbeklaagde is. Dirk Verhofstadt verzwijgt of minimaliseert belangrijke documenten die aantonen dat Pius XII zich wel degelijk bekommerde over het lot van de Joden en dat hij een fel tegenstander was van het Nazisme. Een goed voorbeeld van een genegeerd belangrijk getuigenis is dat van de Jood Robert Kempner, die procureur was op de Rechtbank van Neurenberg en die de wijsheid van de houding van Pius XII tijdens het Nazibewind duidelijk aantoonde. Een van de argumenten die het “antisemitisme” van de paus moeten aantonen is dat hij nooit de staat Israël heeft erkend. Er zijn nogal wat diepgelovige Joden die de staat Israël en het ermee samenhangend zionisme absoluut niet  genegen zijn. Zijn die dan ook “antisemitisch”? De paus heeft volgens deze “experts in de juiste handelwijze tijdens moeilijke oorlogstoestanden” te weinig geprotesteerd. Dirk Verhofstadt haalt als tegenvoorbeeld de houding aan van kardinaal De Jong van Utrecht die wel klaar en duidelijk protesteerde. Hij vergeet er evenwel bij te vermelden dat het rechtsreeks gevolg van diens stemverheffing en de gezamenlijke herderlijke protestbrief van de Nederlandse bisschoppen de deportatie was, binnen de vijf dagen, van alle Nederlandse katholieken van joodse afstamming. Alle kloosters, waar heel wat Joden zich konden verschuilen, werden toen uitgekamd. Nederland kende het hoogste percentage aan Joden die afgevoerd werden naar de dodenkampen. Maar inzake deze vreselijke gevolgen hult onze zogenaamde Jodenverdediger en pausbeoordelaar zich in een doods stilzwijgen.

Hierna geven we enkele verwijzingen, o.a. naar Joodse woordvoerders die hun waardering uitspraken over wat deze paus voor hun ras- en geloofsgenoten heeft gedaan in de aller-moeilijkste omstandigheden (*). De reële feiten hebben hun effect in de mentaliteit en het collectief geheugen. In dit geval is dat in de dankbare harten van de nakomelingen en verwanten van de Joden die dank zij de voorzichtige en discrete aanpak van Pius XII aan de dood zijn ontsnapt. De verspreiding van vervalste historische feitelijkheden daarentegen heeft tot doel een nieuw soort collectief geheugen te creëren, in dienst van soms ternauwernood verborgen objectieven.

Op het eerste zicht zal men denken dat de vervalsers tenslotte aan het langste eind zullen trekken. Het is immers relatief gemakkelijk om iemands woorden en daden verdacht te maken (vooral als hij of zij al een tijd overleden is). Maar, gelukkig:  zo eenvoudig is het mechanisme van de geschiedenis niet te manipuleren. Wat er op de ene plaats als “historische waarheid” wordt ingepeperd, wordt elders weerlegd. De dwazen die, zoals de marxisten, denken dat ze “de geschiedenis” naar hun hand kunnen zetten, bewijzen alleen dat ze er nog altijd niets van begrepen hebben. Al hun moeite resulteert slechts in effecten op korte termijn. De propagandamachines van Hitler en Goebels, waarmee zij haat en vernieling zaaiden, behoren al een hele tijd tot de vele “faits divers” die het verhaal van de mensheid kleuren. Idem voor de leugens van het communisme en noem maar op. Wat de vervalsers vooral niet kunnen of willen beseffen, is dat er andere krachten dan hun kinderachtige manipulaties aan het werk zijn die het lot van mensen en volkeren bepalen, krachten namelijk van geestelijke aard.

Als christelijke gelovigen hebben we een ontzaglijk geschenk meegekregen: wij werden deelachtig aan Gods plan met deze wereld. Wij vernamen dat zijn manier van werken het kleinmenselijk gemanipuleer gewoon belachelijk maakt. Als een volmaakte schaakgrootmeester zet Hij zijn stukken op het juiste moment op de juiste plaats. Koningen en koninginnen behandelt hij als pionnen en omgekeerd. Waar wij, doorsnee stervelingen, denken dat zijn spel verloren is, daar staat Hij op het punt een belangrijke overwinning te behalen. De duivel dacht ten tijde van de Romeinse heerschappij dat hij de touwtjes in handen had. Hij was er zelfs in geslaagd de gewone burgers van dit machtig rijk zover te krijgen dat  zij hun vermaak vonden in arena’s, bij het aanschouwen van de strijd op leven en dood tussen hun medemensen. God pakte die verloedering niet aan door een leger te sturen en korte metten te maken met zulke uitwassen. Nee: hij liet zijn eigen Zoon het lot van een verslagen, vernederd en doodgefolterd mensenkind ondergaan. Toen de hemel zwart werd en Gods Zoon de geest gaf, legde Hij de basis voor een nieuwe geschiedenis van de mensheid. Sindsdien is het christendom, de vrucht van zijn prediking, lijden en dood, onstuitbaar in opmars. Elke nieuwe martelaar bracht duizendvoudige  vruchten voort.

Zo voltrekt zich de ware mensengeschiedenis, zich afspelend onder de ogen van machtigen en zogenaamd verstandigen, zonder dat zij haar doorzien. Zij menen de geschiedenis met materiële middelen naar hun hand te kunnen zetten, omdat zij blind zijn voor de werken van de Geest. Hun woorden en daden zullen weggevaagd en opgeslokt worden door de tijd. Uiteindelijk zal elk levend en denkend wezen onderworpen worden aan de Geest Gods, die liefde, nederigheid, waarheid, vrede en gerechtigheid brengt. Zover zijn we echter nog lang niet. We leven nog altijd in  de fase die de H. Petrus als volgt omschreef: “De ganse Schepping zucht en kreunt in barensweeën”. De reële aard van de interne strijd die woedt binnen het mensdom is ongetwijfeld een geestelijke. Die strijd is nog niet ten einde en zal voorspelbaar nog veel bloed en tranen meebrengen. Hij zal duren totdat Hij, de Mensenzoon, weerkeert. Eens zal Hij alle grootspraak en leugen voorgoed doen verstommen. Dan zal iedere knie zich buigen, niet voor een tijdelijke wereldse heerser, maar voor de Christus, de ware “Heer van de geschiedenis”.

I.V.H.

(*)http://users.skynet.be/histcult/Verhof%20NL.htm

http://www.pavethewayfoundation.org

http://www.romereports.com/index.php?lingua=2&lnk=750&id=913

http://www.catholicapologetics.info/apologetics/judaism/dalin.htm

http://news.catholique.org/21169-le-p-gumpel-salue-les-recherches-historiques

http://users.skynet.be/histcult/piedouze.htm

http://www.pie12.com/PIEXII.pdf

 

 

Van de papiertijd naar het virtuele tijdperk

De menselijke geschiedenis wordt ingedeeld in tijdperken waarvan de benaming dikwijls ontleend is aan het materiaal of de activiteit die de meeste sporen naliet. We spreken bvb. van de steen- , de brons-  en de ijzertijd, of van het industriële tijdperk. Als papier geen heel vergankelijk materiaal  was, waarvan in de bodem al vlug geen sporen meer terug te vinden zijn,  was er een grote kans dat toekomstige archeologen  onze huidige beschavingen onder de “papiertijd” zouden klasseren. Bovendien zouden zij ons reilen en zeilen gedetailleerd van dat papier kunnen aflezen.

Zelfs na de veralgemening van het computergebruik is en blijft papier een belangrijk en veelgebruikt basisproduct, o.a. medeverantwoordelijk voor grootschalige ontbossing. Voor alles en nog wat hebben we documenten nodig, tot en met voor het aantonen van onze eigen identiteit. Er bestaat  in onze maatschappijen een papieren realiteit  die in nogal wat gevallen belangrijker blijkt dan de levende realiteit. Daar kunnen o.a.  de zogenaamde “sans papiers” die door onze straten dwalen over meepraten. Zelfs ons bezit hangt grotendeels af van papiergeld, waaraan een subjectieve waarde wordt toegekend welke bepaald wordt door onvoorspelbare en fluctuerende factoren zoals het beurs- of consumentenvertrouwen en politieke toestanden ergens ter wereld. Ook onze wijze van denken wordt hierdoor beïnvloed, want als de papieren waarheid ons beter uitkomt dan de reële, dan kiezen we al vlug voor de eerste, bvb. bij het invullen van onze belastingbrief.

De technologische ontwikkelingen van de moderniteit hebben de mogelijkheden om al of niet frauduleus tussen  verschillende werkelijkheden te schipperen nog versterkt. We staan nu namelijk  volgens de experts al volop in het informaticatijdperk. Die benaming klinkt redelijk betrouwbaar, maar in feite betekent het dat we er een nieuwe werkelijkheid hebben bijgeschapen: een virtuele. Mensen die leiden aan een computerverslaving, leven op de keper beschouwd meer in een virtuele wereld dan in de echte werkelijkheid . Zij zijn de eerste slachtoffers van wat men misschien beter het virtuele tijdperk zou noemen. Men kan ze tot op zekere hoogte vergelijken met Alzheimerpatiënten  die verstandelijk grotendeels in een omgeving of tijd vertoeven die niet deze is van de werkelijk bestaande mensen en dingen die hen omringen.

 De wereld van de al of niet schone schijn heeft natuurlijk altijd bestaan sinds er mensen zijn. Maar de complexiteit van het moderne leven en het toenemend aanbod aan technologische media en mogelijkheden maakt het steeds gemakkelijker om echte en fictieve werkelijkheden door elkaar te weven. Belangrijk is dan niet zozeer meer de authenticiteit van wat men te vertellen heeft, maar hoe men het presenteert. Zoiets bestond al van oudsher in al wat met commerciële reclame te maken heeft en behoort eveneens tot de gedoogde gewoonten in de politiek.  Maar het ombouwen van een objectieve realiteit naar een subjectieve wordt  in toenemende mate ook gebruikelijk in domeinen die zowel voor  maatschappij als individu van meer fundamenteel belang zijn, zoals moraliteit, gerechtigheid en godsdienstbeleving. Ook daar verdringen fictie en irreële schijn meer en meer  de concrete feitelijkheid.

Goede voorbeelden van schijnwaarheden vinden we voldoende in onze nationale politiek. “Alle macht gaat uit van de natie” verkondigt onze grondwet. Met “natie” wordt bedoeld het geheel van alle burgers uit verleden en heden. Ons politiek establishment interpreteert dit in de praktijk als “Alle macht gaat uit van de door de staat gesubsidieerde partijcenakels”. De koning is zogenaamd het staatshoofd, maar in werkelijkheid is zijn rol gereduceerd tot die van een ceremoniële marionet. Toen koning Boudewijn in 1990 in eer en geweten de abortuswet weigerde  te ondertekenen, zette premier Wilfried Martens (het intussen tweemaal hertouwde boegbeeld van een “christelijke gezinspartij”), de grondwet naar zijn hand. Met een politieke goocheltruc waarover hij nog regelmatig op onze zenders snoeft, werd de koning “in de onmogelijkheid om te regeren” verklaard. In feite bewees Boudewijn door zijn weigering te tekenen juist dat hij volledig bij machte was te regeren, dat wil zeggen te oordelen en te beslissen. Grondwettelijk had het omgekeerde moeten gebeuren en had de koning de regering moeten ontslaan. Leefden wij echt in een democratie dan had hij toen ofwel nieuwe verkiezingen, ofwel een referendum kunnen eisen.  Maar referenda zijn voor vele van onze  machthebbers taboe, want zij brengen het zwaartepunt van de macht terug daar waar het grondwettelijk behoort te zijn, namelijk bij het volk. De regeringsfunctie van het staatshoofd werd bij ons herleid tot die van een handtekeningautomaat. Zelfs de essentiële vrijheid om te beslissen wat hij al of niet tekent is hem ontnomen. Men kan zich afvragen wat het nut is van een afgedwongen handtekening. Het enige antwoord daarop lijkt te zijn dat het politieke beslissingen de mooie schijn bezorgt van een “neutrale” legitimatie, door een staatshoofd die met een status van officiële gewetenloosheid werd bekleed.

Op ethisch gebied merken we in toenemende mate verschuivingen van natuurlijke en concrete begrippen naar artificiële en virtuele. Die passen beter in de kraam van het soort ethici dat graag op de barricaden staat van wat zij vooruitstrevendheid noemen. Een essentieel mensenrecht is bvb. het recht op leven. Het recht op leven van  gehandicapten , ongewenste ongeborenen en anderen die door deze “ethici” als onnodige maatschappelijke ballast worden ervaren, valt daar natuurlijk ook onder. Maar zie: het virtueel denken reikt  hen de terminologie aan waarmee die “ballast” op een legale wijze verwijderd kan worden. Het begrip “mens” wordt door hen omgeruild voor het beter manipuleerbare begrip “persoon”. In de nieuwe begripswereld die zij creëren en de ermee gepaard gaande waardeschaal hebben enkel “personen”  recht op leven. Daar behoren zijzelf natuurlijk in de eerste plaats bij, vermits zij het zijn zij die bepalen wie of wat als een “persoon” beschouwd kan worden.  Een recent geboren gehandicapt kind komt daar volgens hen niet voor in aanmerking, vermits het niet zelfstandig levensvatbaar is en nog niet in staat is om relaties aan te gaan. Dit zijn volledig arbitrair gekozen gegevens die door hen dus tot voornaamste norm worden verheven om van het recht op leven te kunnen genieten.

Deze zogenaamd progressieve moraal is nauw verwant aan die van de prehistorische stammen en culturen uit de oudheid die hun kinderen ombrachten wanneer die als  niet “geschikt” werden beschouwd (dat was o.a. bij de Spartanen het geval). In zulke baarbaarse ideologie ben je geen mens omdat je dat intrinsiek bent, maar enkel omdat je omgeving je als dusdanig erkent. Die beslist dan of zij een mensje in het foetusstadium of een mens in een andere toestand van vergaande  afhankelijkheid al of niet wenst te beschouwen als louter een “klomp(je) levende cellen” .  De menselijke wezens die nog niet of niet meer  in staat zijn om aan te tonen dat zij meer zijn dan dat, bevinden zich dan in de situatie van potentiële menselijke afvalproducten. Bij de minste hinderlijkheid kan men die ”menselijke cellenhoop” elimineren, met de goedkeurende zegen van het wereldwijd genootschap van virtuele ethici. Zij streven ernaar om in een volgend stadium die eliminatiemogelijkheid te doen evolueren tot een volwaardig “mensenrecht”, waarvan degenen die het privilege genieten om als “persoon”  te zijn erkend, in alle vrijheid gebruik van mogen maken.

Ook op godsdienstig vlak wordt er duchtig gegraaid in de virtuele trukendoos. Exegeten en theologen van divers pluimage maken dankbaar gebruik van die mogelijkheid om “versleten” opvattingen en voorstellingen, daterend uit de tijd van de kerkvaders  of van Thomas van Aquino,te vervangen door interpretaties die aangenamer of moderner klinken. Zij recycleren de evangelieverhalen naar versies die goed beantwoorden aan hun persoonlijke voorkeuren, maar die nog weinig te maken hebben met de oorspronkelijke betekenis ervan. Het woord van Jezus  “uw ja zij ja en uw nee zij nee”, is volgens hen niet van toepassing op diens levensverhaal , zoals beschreven door zijn volgelingen.  Vanaf de kansels worden gelovigen regelmatig overdonderd met een af andere modernistische herinterpretatie van een evangelieverhaal, gestoffeerd met een hoge graad aan creativiteit en pseudoreligieuze fantasie.

We zien zelfs een nieuwe vorm van pastoraal opduiken, waarin niet meer het geloof maar de twijfel als uitgangspunt wordt genomen. De verkondiging van objectieve geloofswaarheden, evenals van morele en godsdienstige grondwaarden, moet hierin plaats ruimen voor een brede debatcultuur onder “open geesten”.  Tot onze grote spijt en ondanks het respect dat wij hem willen betonen, moeten wij het meest recente snufje op het gebied van ultramoderne virtuele godsdienstigheid en twijfelpastoraal  toewijzen aan de bisschop van Antwerpen. Die toonde geen enkele belangstelling voor de pastorale realiteit van biddende en zingende gelovigen die in de diepvrieskoude eerherstel brachten voor de smaad aan Jezus aangedaan in het theaterstuk van Castellucci, waarin het gelaat van Christus werd besmeurd en bekogeld door kinderen. Onze kerkleider verkoos die pastorale realiteit te negeren en in een goed verwarmde theaterzaal te gaan genieten van het stuk van Castellucci, met als thema de geloofstwijfel die een fictieve vader en zoon hadden naar aanleiding van de onhygiënische ouderdomsproblemen van de eerste.  In een lyrisch hoogstaande maar volledig ongeloofwaardige persoonlijke “herinterpretatie”, bezong  hij vervolgens  in De Standaard de lof van dit stuk en van zijn regisseur (welbekend om zijn  antireligiositeit, met “satanische” trekjes). Nog lyrischer is  het artikel dat hierover  in Tertio verscheen, van de hand van filosoof Jan Koenot, S.J. , waarin hij op een haast geniale wijze  het goed gedocumenteerd realiteitsbewustzijn inruilt  voor persoonlijke speculatieve mega-interpretaties van het stuk van Castellucci.

Wat is de  volgende stap in het droevig verhaal van mensen met een hoge opleiding en grote kerkelijke verantwoordelijkheden die de zin voor elementaire objectiviteit, nuchtere  logische feitenbeoordeling, consequent redeneren en groot christelijk geloof inruilen voor met het haar gegrepen redeneringen over de zogenaamde “edele” en zelfs “christelijke” bedoelingen van twijfelzaaiende en Godslasterende kunstenaars?  Zal de nieuwe marsrichting die zij aan de gelovigen willen tonen gebaseerd zijn op een pastoraal van de twijfel? Moeten wij allemaal dringend leren met excrementen naar het gelaat van Jezus te werpen, als therapie of preventie voor opkomende geloofstwijfels? Of als vervanging van de biechtpraktijk die gaandeweg in onbruik is geraakt, samen met  het onderwijs van de concrete geloofsleer?

De trend om tegenstrijdige begrippen en betekenissen via “virtuele”  ingrepen met elkaar  in verband te brengen merkt men ook in de benamingen van eertijds gerespecteerde instellingen en verenigingen, vooral deze met de “C” van christelijk of de “K” van katholiek in hun benaming. Het meest flagrante huzarenstukje op dat gebied leverde recent  de KU Leuven. Die hield mordicus vast aan de “K”, maar verdoezelde die door er KU van te maken. Het bestuur raadde haar professoren toch maar aan om de associatie met “katholiek” in het buitenland zoveel mogelijk te vermijden en stelde voor alle zekerheid een aantal verklarende ondertitels voor, zoals het volledig neutrale “University of Leuven”. Daarenboven maakte de rector duidelijk dat de resterende “K” zeker niet betekende dat zijn universiteit zich gebonden zou achten aan enig voorschrift van de katholieke Kerk. Bij die gelegenheid werd in één adem ook aangekondigd dat de “KU” zich openstelt voor andere overtuigingen. De “K” blijft er in feite enkel nog om redenen die met marketing en “imagebuilding” te maken hebben (waarschijnlijk gemengd met nostalgische of historische overwegingen en -wie weet- misschien een beetje pleinvrees, zonder de formele ruggensteun van de katholieke wereldkerk).

Daar staan ze dan, de halfaangepaste moderne mensen, met een voet in het tijdperk van de virtuele mogelijkheden, de schijnzekerheden en de inhoudsloze uiterlijkheden, terwijl de andere voet nog tastend zoekt naar de vaste grond van de oude vertrouwde waarden. De druk is groot om volledig over te stappen naar het kamp van degenen die volledig “eigentijds” , “aangepast”,  “in” of “up to date” zijn geworden. Wie wil weten wat dat deze aanpassing aan de moderniteit inhoudelijk betekent, kan misschien best de oeroude Bijbel eens raadplegen, op de pagina’s waarin uitgeweid wordt over het begrip “ijdelheid”.

I.V.H.

 

Open brief aan de Belgische Bisschoppen, 8 februari 2012

Monseigneurs,

Het Rooms-katholiek Lekenforum, vzw, is een vereniging waarvan het  voornaamste doel is de stem van de katholieke leken die trouw zijn aan het leergezag van  de Paus, aan bod te laten komen in het maatschappelijk debat. Die doelstelling beantwoordt aan een recent uitgesproken wens van de Paus. Wij zijn van mening dat  onze stem momenteel echter te weinig wordt gehoord. Daarenboven kregen wij soms de indruk, dat wij door jullie, onze eigen bisschoppen, worden genegeerd.

De aanleiding voor deze brief, die men gerust als een “noodkreet” mag omschrijven, is hetgeen wij beschouwen als een lakse houding ten aanzien van provocerende, blasfemische en ronduit antichristelijke uitingen in vele media en wat wij bestempelen als het zich compromitteren  met sommige kunstuitdrukkingen die ons geloof afbreken.

Het stuk van Castellucci, dat verleden week in  De Singel in Antwerpen werd opgevoerd, is daar een goed voorbeeld van. Ondanks de bittere koude waren wij present aan de ingang tijdens drie van de voorstellingen, om eerherstel te brengen aan Christus, terwijl diens gelaat binnen werd besmeurd en door kinderen werd bekogeld.  Wie kan eraan twijfelen dat dit stuk aanspoort tot goddeloosheid en vele christenen kwetst? Het beeld van Christus, weergegeven door Castellucci als van iemand die onverschillig is ten aanzien van het leed van de mensen, komt helemaal niet overeen met hetgeen de christen heeft van zijn Verlosser, vol zorg en liefde. De bedoeling van Castellucci blijkt duidelijk uit zijn beeldtaal. Het Christusgelaat dat hij gebruikt (of beter misbruikt), afkomstig van Antonello da Messina, heeft een hoge artistieke waarde, maar geeft slechts één aspect weer van Christus. Het betreft de Salvator Mundi, verwant aan de Christus Pantokrator die heerst en alles overwonnen heeft. Er zijn meer dan voldoende afbeeldingen in de christelijke icongrafie van een lijdende of versmade Christus die ons menselijk lot deelt tot het einde. Nee, deze vervorming van het christelijk perspectief is doelbewust opgezet en zij kwetst ons.

Ziehier een uittreksel (vertaald) van het Franse dagblad Le Monde, op de dag van de voorstelling van dit stuk, deze zomer in Avignon: “Castellucci,  een groot plastisch kunstenaar, valt het aangezicht  aan van binnenuit. Het wordt eerst vermalen, vervormd alsof handen en voeten de fijne huid van de oppervlakte wegduwden. Daarna zou men zeggen dat een groot mes erin kerft. Grote bruin-rode uitvloeiingen, die meer doen denken aan de fecale materies van de vorige scène dan aan bloed, verspreiden zich erover, voordat dat een zwart zeil de beeltenis van de Zoon van God overdekt. Het doek wordt uiteindelijk uiteengescheurd waardoor een zwart paneel wordt ontbloot. Bovenaan meent men eerst in verknipte letters te lezen: “You are my shepherd” (“Jij bent mijn herder”), vooraleer men zich rekenschap geeft dat de volledige zin in feite is: “You are not my shepherd” (“Jij bent niet mijn herder”). Wij willen u, Monseigneurs, een eenvoudige vraag stellen: “Hoe kunt u met zoiets instemmen?”

Zeer bedroevend is dat hier zelfs kinderen bij werden betrokken en gevraagd  om granaten te werpen (in navolging van terroristische organisaties) naar het gelaat van Christus. Is het dat wat wij onze kinderen moeten leren? Alle commentaren die dit stuk rechtvaardigen, hoe geleerd en erudiet ook, zijn voor ons onaanvaardbaar, want wij houden van Christus en Hij is onze Herder.

Voor vele katholieken is het verscheurend te moeten vaststellen dat zij  niet worden gesteund door hun kerkelijke autoriteiten. Het lijkt ons dat het uw plicht was om met eendrachtige stem een strenge veroordeling uit te spreken over dit stuk! Een kerk die, uit vrees  voor de media en de openbare opinie, haar verantwoordelijkheid ontwijkt en de Blijde Boodschap niet duidelijk verkondigt is op sterven na dood. Zullen het dan, zoals voorheen in de geschiedenis, de vrome eenvoudige christenen zijn die het geloof met veel moeite doorgeven? Het is met pijn in het hart dat wij vaststellen dat het protest tegen dit stuk werd georganiseerd door een groep die niet tot onze kerkgemeenschap behoort, terwijl de RK Kerk enkel vertegenwoordigd was door leken.

Recent nog, op 2 februari, werd de Maagd Maria daadwerkelijk beledigd op radio Vivacité, een openbare radiozender. Moeten wij alles aanvaarden en zwijgen, zoals u, Monseigneurs? Is de Belgische Kerk, zoals zoveel andere Europese Kerken, nog niet laag genoeg gevallen? Wij zouden u heel graag horen spreken over de ethische en sociale problemen ...

Christus kwam ons de Waarheid brengen, maar die werd zelfs door zijn eigen volk niet aanvaard. Degene die de moed heeft de Waarheid te omarmen en haar nederig te verkondigen zal steeds stoten op hevige weerstanden. Dat is wat vandaag de katholieken die trouw zijn aan hun geloof dagelijks ondervinden. Wij hopen oprecht dat  ook u, van uw kant, de moed zult tonen om onverkort de leer van de Kerk bekend te maken en de naam van God te heiligen.

 

Verenigd in Christus door zijn Kerk,

Het  bestuur van het Rooms-katholiek Lekenforum, vzw.

 
Meer artikelen...
  • God begrijpen
  • Misbruik
  • Het kille kerstverhaal van Etienne Vermeersch
  • Petitie tegen de ondermijning van de vrijheid van godsdienst en onderwijs

<< Start < Vorige 1 2 3 4 5 Volgende > Einde >>

Pagina 1 van 5

feed-image

Copyright © 2011 --- Katholieklekenforum - All Rights Reserved.